lavendel2

En God riep alle levende wezens bij zich
omdat hij ze één voor één nog iets extra's wilde meegeven.
Een kenmerkende eigenschap,
die de ene soort van de andere onderscheidde.
Een kenmerkende eigenschap die ze zelf mochten kiezen.

Zo koos de leeuw 'onaantastbaarheid '.
Zijn kracht maakte hem zo sterk
dat alle andere dieren zich aan hem onderwierpen.
De poema koos voor 'lenigheid '.
Hij bewoog zich voort alsof hij geen botten in zijn lijf had.
De dolfijn koos voor  'goedheid '.
De vogel koos voor 'lichtheid '.

Toen was de mens aan de beurt, die kon of wilde geen keus maken.
Koos hij voor kracht, dan kon hij niet voor schoonheid kiezen.
Koos hij voor goedheid,
dan was hij genoodzaakt zich te onderwerpen aan sterkere wezens dan hij.

Uiteindelijk wist hij het 'vrijheid '. En vrijheid kreeg hij.
De mens kon voortdurend keuzes maken bij al wat hij deed.
Hij hoefde nooit zijn eigen aard en natuur te volgen zoals de dieren moesten.
Of eigenlijk, hij volgde zijn eigen aard en natuur
door zich steeds opnieuw te bezinnen op alternatieven.

In het begin voelde hij zich de koning te rijk,
maar gaandeweg zag hij zich met vragen geconfronteerd
waarop hij geen antwoord wist.
Dan klopte hij bij God aan met de vraag:' wat moet ik doen?'
maar God antwoordde:
'waarom zou Ik je moeten zeggen wat je moet doen. Je bent toch vrij?'

En zo werd de vrijheid voor de mens een zware last die hij zijn leven lang,
van geboorte tot dood, te dragen had.
Hoe meer antwoorden hij kreeg, des te meer vragen kwamen er bij hem op.
Hoe vrijer hij zich dacht te voelen,
hoe vaster hij opgesloten was binnen die vrijheid..
Want vrijheid verplicht.

Marcel Zagers